Naar hoofdinhoud
(A). Behoudens het bepaalde in lid (B) van dit Artikel en in Artikel VI kan elk van de omschreven luchtdiensten in exploitatie genomen worden, zodra de Overeenkomstsluitende Partij, aan welke de rechten zijn verleend, een of meer luchtvaartmaatschappijen voor de exploitatie van de omschreven luchtdiensten heeft aangewezen. De Overeenkomstsluitende Partij, welke de rechten verleent, zal, behoudens het bepaalde in lid (B) van dit Artikel en in Artikel VI, verplicht zijn onverwijld de passende exploitatievergunning aan de betrokken luchtvaartmaatschappij te verlenen. (B). Van elk van de aangewezen luchtvaartmaatschappijen kan worden verlangd, dat zij ten genoegen van de luchtvaartautoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij aantoont, dat zij in staat is de voorwaarden na te komen, welke worden gesteld krachtens de wetten en voorschriften, welke gewoonlijk door die autoriteiten met betrekking tot de exploitatie van internationale luchtdiensten worden toegepast. Ingevolge artikel 1, derde lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van Australië inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 29 april 2008 (Pb. EU L 149 van 7 juni 2008, blz. 65-73) wordt vanaf 2 juli 2009, wanneer in de tekst van de Overeenkomst, met Bijlage, wordt verwezen naar luchtvervoerders of luchtvaartmaatschappijen van het Koninkrijk der Nederlanden, dit begrepen als een verwijzing naar de door het Koninkrijk der Nederlanden aangewezen luchtvervoerders of luchtvaartmaatschappijen (Trb. 2012/160). De bepalingen van artikel 2, derde en vierde lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van Australië inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 29 april 2008 (Pb. EU L 149 van 7 juni 2008, blz. 65-73) hebben vanaf 2 juli 2009 voorrang op de overeenkomstige bepalingen van dit artikel (Trb. 2012/160).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel