Naar hoofdinhoud
1. Om in het land van hun woonplaats in aanmerking te komen voor verstrekkingen, dienen de in artikel 14, eerste lid, van het Verdrag bedoelde gezinsleden zich bij het orgaan van hun woonplaats te laten inschrijven onder overlegging van de volgende bewijsstukken: een op verzoek van de werknemer door het bevoegde orgaan afgegeven verklaring, waaruit blijkt dat de werknemer recht heeft op verstrekkingen. Deze verklaring blijft geldig zolang het bevoegde orgaan aan het orgaan van de woonplaats niet heeft medegedeeld dat deze verklaring is ingetrokken; de bewijsstukken, welke door de wettelijke regeling van het land van de woonplaats voor de toekenning van verstrekkingen aan gezinsleden gewoonlijk worden geëist. 2. Het orgaan van de woonplaats deelt aan het bevoegde orgaan mede welke gezinsleden recht hebben op verstrekkingen krachtens de door eerstbedoeld orgaan toegepaste wettelijke regeling. 3. De werknemer en diens gezinsleden dienen het orgaan van de woonplaats van laatstgenoemden in kennis te stellen van iedere verandering in hun omstandigheden, waardoor het recht op verstrekkingen voor de gezinsleden kan worden gewijzigd, in het bijzonder van iedere beëindiging of verandering van dienstbetrekking van de werknemer of iedere overbrenging van de woon- of verblijfplaats van hemzelf of van een gezinslid. 4. Het orgaan van de woonplaats verleent zijn goede diensten aan het bevoegde orgaan, dat voornemens is verhaal uit te oefenen op degene die ten onrechte verstrekkingen heeft genoten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel