Naar hoofdinhoud
1. Commandanten van luchtvaartuigen van de Partijen nemen de grootst mogelijke voorzichtigheid in acht bij het naderen van luchtvaartuigen en schepen van de andere Partij, in het bijzonder van schepen die bezig zijn met het afvliegen of oplanden van luchtvaartuigen en staan, omwille van de wederzijdse veiligheid, niet toe dat: schijnaanvallen worden uitgevoerd of dat wapens gesimuleerd worden ingezet tegen schepen of luchtvaartuigen van de andere Partij; kunstvluchten boven schepen van de andere Partij worden uitgevoerd; voorwerpen in de nabijheid van schepen van de andere Partij worden afgeworpen op een zodanige wijze dat zulks gevaar voor die schepen of voor de scheepvaart oplevert. 2. Wanneer luchtvaartuigen en schepen van de andere Partij worden genaderd tonen luchtvaartuigen van de Partijen die in duisternis of onder instrument vliegcondities vliegen hun navigatielichten, wanneer dit praktisch mogelijk is.

Rechtspraak bij dit artikel