**1).** De overeengekomen diensten zullen in exploitatie genomen kunnen worden op voorwaarde dat:
de Overeenkomstsluitende Partij aan welke de rechten zijn verleend daartoe een of meer luchtvaartmaatschappijen heeft aangewezen;
de Overeenkomstsluitende Partij welke de rechten verleent aan genoemde maatschappijen de passende exploitatievergunning heeft afgegeven, hetgeen zij, onder voorbehoud van het bepaalde in lid 2 van dit artikel en in artikel 4, zo spoedig mogelijk zal doen.
**2).** Alvorens gemachtigd te worden om de overeengekomen diensten te openen zal van de aangewezen maatschappijen evenwel verlangd kunnen worden, dat zij ten overstaan van de luchtvaartautoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij welke de rechten verleent aantonen, dat zij in staat zijn te voldoen aan de voorwaarden welke zijn voorgeschreven door de wetten en voorschriften die gewoonlijk door die autoriteiten worden toegepast ten aanzien van de exploitatie van internationale luchtdiensten.
Ingevolge artikel 1, derde lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 12 december 2006 (Pb. EU L 386 van 29 december 2006, blz. 18-27) wordt vanaf 1 april 2010, wanneer in de bilaterale Overeenkomst, met Bijlage, wordt verwezen naar luchtvervoerders of luchtvaartmaatschappijen van het Koninkrijk der Nederlanden, dit begrepen als een verwijzing naar de door het Koninkrijk der Nederlanden aangewezen luchtvervoerders of luchtvaartmaatschappijen (Trb. 2012/214). De bepalingen van artikel 2, tweede en derde lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 12 december 2006 (Pb. EU L 386 van 29 december 2006, blz. 18-27) hebben vanaf 1 april 2010 voorrang op de overeenkomstige bepalingen van dit artikel (Trb. 2012/214). De bepalingen van artikel 2, vijfde en zesde lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 12 december 2006 (Pb. EU L 386 van 29 december 2006, blz. 18-27) hebben vanaf 1 april 2010 voorrang op de overeenkomstige bepalingen van dit artikel (Trb. 2012/214).
Ingevolge artikel 1, derde lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 12 december 2006 (Pb. EU L 386 van 29 december 2006, blz. 18-27) wordt vanaf 1 april 2010, wanneer in de bilaterale Overeenkomst, met Bijlage, wordt verwezen naar luchtvervoerders of luchtvaartmaatschappijen van het Koninkrijk der Nederlanden, dit begrepen als een verwijzing naar de door het Koninkrijk der Nederlanden aangewezen luchtvervoerders of luchtvaartmaatschappijen (Trb. 2012/214). De bepalingen van artikel 2, tweede en derde lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 12 december 2006 (Pb. EU L 386 van 29 december 2006, blz. 18-27) hebben vanaf 1 april 2010 voorrang op de overeenkomstige bepalingen van dit artikel (Trb. 2012/214). De bepalingen van artikel 2, vijfde en zesde lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 12 december 2006 (Pb. EU L 386 van 29 december 2006, blz. 18-27) hebben vanaf 1 april 2010 voorrang op de overeenkomstige bepalingen van dit artikel (Trb. 2012/214).
HOOFDSTUK II
Artikel 17
Artikel 17
Onderdeel van Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko inzake luchtvervoer· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 1961