Naar hoofdinhoud
(1). De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden erkent het recht van de Commissie om op Nederlands grondgebied op te treden als een rechtspersoonlijkheid bezittend zedelijk lichaam, teneinde het onderhoud van de begraafplaatsen, graven en gedenktekenen van het Gemenebest te verzekeren. (2). De Commissie is dientengevolge gemachtigd de begraafplaatsen van het Gemenebest te omheinen, ze aan te leggen overeenkomstig een door haarzelf goedgekeurd ontwerp, daarin grafmonumenten of andere passende bouwwerken op te richten en beplantingen aan te brengen, voorschriften vast te stellen nopens bezoek en personen te kiezen, die ook Brits onderdaan mogen zijn, om de zorg ervoor en het onderhoud ervan op zich te nemen. (3). De Commissie is verder bevoegd te voorzien in de aanleg en het onderhoud van de graven van het Gemenebest op algemene en bijzondere begraafplaatsen, in overeenstemming met de bevoegde autoriteiten. (4). Indien graven van het Gemenebest gelegen zijn te midden van graven van Nederlandse of geallieerde militairen en de Commissie het wenselijk acht, dat een gemeenschappelijk systeem van aanleg wordt aanvaard, dan legt zij haar voorstellen ter goedkeuring voor aan de Nederlandse Minister van Oorlog. (5). Met betrekking tot de machtiging, verleend in artikel 5 (2) van deze Overeenkomst, houdt de Commissie zich aan de op Nederlands grondgebied geldende wetten en voorschriften ten aanzien van begraafplaatsen, graven, gedenktekenen en andere bouwwerken. (6). De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden beschouwt de Commissie met betrekking tot de in haar dienst door Nederlandse burgerwerklieden verrichte werkzaamheden, van het tijdstip van de aanvang dier werkzaamheden af, als werkgever in de zin der Sociale Verzekeringswetgeving.

Rechtspraak bij dit artikel