Gedurende drie jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van 1968 voor het Koninkrijk Denemarken of voor Ierland wordt in elk van deze Staten de bevoegdheid in zaken van zeerecht niet alleen bepaald overeenkomstig dat Verdrag, maar ook overeenkomstig de bepalingen van No. 1 tot en met No. 6 hierna. Deze bepalingen zijn in elk van deze Staten evenwel niet langer van toepassing zodra het op 10 mei 1952 te Brussel ondertekende internationale Verdrag tot eenmaking van enkele bepalingen inzake conservatoir beslag op zeeschepen voor die Staat in werking is getreden.
Hij die zijn woonplaats heeft in een verdragsluitende Staat kan in de volgende gevallen voor de gerechten van één van de hierboven genoemde Staten worden gedaagd ter zake van een zeerechtelijke vordering, wanneer op het schip waarop de vordering betrekking heeft of op enig ander schip waarvan hij eigenaar is, op het grondgebied van laatstgenoemde Staat gerechtelijk beslag is gelegd als zekerheid voor de vordering, of wanneer aldaar beslag had kunnen worden gelegd, maar er borgtocht dan wel enige andere zekerheid is gesteld:
indien de eiser zijn woonplaats in die Staat heeft;
indien de vordering in die Staat is ontstaan;
indien de vordering is ontstaan op een reis tijdens welke het beslag is gelegd of had kunnen worden gelegd;
indien de vordering voortspruit uit een aanvaring of schade die, hetzij door het uitvoeren of nalaten van een manoeuvre, hetzij door niet-naleving der reglementen, een schip heeft toegebracht aan een ander schip dan wel aan de zich aan boord van een deze schepen bevindende zaken of personen;
indien de vordering is ontstaan uit hulp of berging;
indien voor de vordering zekerheid is gesteld in de vorm van een scheepshypotheek of andere onderzetting die rust op het schip waarop beslag is gelegd.
Beslag kan worden gelegd op elk schip waarop de zeerechtelijke vordering betrekking heeft of op elk ander schip dat toebehoort aan degene die op het tijdstip van het ontstaan van de vordering eigenaar was van het schip waarop deze vordering betrekking heeft. Ter zake van de in punt 5, onder o), p) of q), bedoelde vorderingen kan evenwel alleen beslag worden gelegd op het schip waarop de vordering betrekking heeft.
Schepen worden geacht dezelfde eigenaar te hebben wanneer alle aandelen in handen zijn van dezelfde persoon of personen.
In geval van bevrachting waarbij de zeggenschap over het schip is overgedragen kan, wanneer alleen de bevrachter aansprakelijk is voor een zeerechtelijke vordering ter zake van het schip, op dit schip of op enig ander schip van deze bevrachter beslag worden gelegd, doch kan ter zake van deze vordering geen beslag worden gelegd op enig ander schip van de eigenaar. Dit geldt ook in alle gevallen waarin een ander dan de eigenaar aansprakelijk is voor een zeerechtelijke vordering.
Onder „zeerechtelijke vordering” wordt verstaan een vordering voortvloeiend uit:
schade veroorzaakt door een schip door aanvaring of anderszins;
dood of persoonlijk letsel veroorzaakt door een schip of voortspruitend uit de exploitatie van een schip;
hulp en berging;
overeenkomsten betreffende het gebruik of de huur van een schip bij wijze van bevrachting of anderszins;
overeenkomsten betreffende goederenvervoer per schip bij wijze van bevrachting, cognossement of anderszins;
verlies van of schade aan goederen, met inbegrip van de bagage, vervoerd per schip;
averij-grosse;
bodemerij;
slepen;
loodsen;
aan een schip geleverde goederen of materiaal ten behoeve van de exploitatie of het onderhoud van het schip, ongeacht de plaats van de levering;
bouw, herstelling of uitrusting van een schip, of havengelden;
de lonen van kapitein, officieren of bemanning;
uitgaven van de kapitein, met inbegrip van uitgaven gedaan door verschepers, bevrachters, of agenten voor rekening van het schip of zijn eigenaar;
geschillen over de eigendom van een schip;
geschillen tussen medeëigenaars van een schip over eigendom, bezit, exploitatie of opbrengsten van dat schip;
elke scheepshypotheek of andere onderzetting die op een schip rust.
In Denemarken dekt de uitdrukking „beslag”, voor wat de onder o) en p) bedoelde zeerechtelijke vorderingen betreft, ook de „forbud”, voor zover ingevolge de artikelen 646 tot en met 653 van de Wet op de burgerlijke rechtsvordering (Lov om rettens pleje) alleen deze procedure ter zake is toegelaten.
TITEL V
Artikel 36
Artikel 36
Onderdeel van Verdrag inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, alsmede tot het Protocol betreffende de uitlegging daarvan door het Hof van Justitie· Internationaal privaatrecht Inclusief internationaal procesrecht
Deze tekst geldt sinds 1 november 1986