**1.** Wanneer een onderdaan van een der Verdragsluitende Partijen een aanvrage indient om een ouderdomsrente te ontvangen wegens het vervuld hebben van verzekeringstijdvakken en daarmede gelijkgestelde tijdvakken krachtens de wettelijke regelingen van beide Partijen, wordt het recht van deze onderdaan, behoudens het bepaalde in artikel 22, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de volgende leden van dit artikel.
**2.** Het desbetreffende bevoegde orgaan van elk der beide Partijen bepaalt overeenkomstig zijn eigen nationale wettelijke regelingen of de onderdaan voldoet aan de voorwaarden, welke die wettelijke regelingen voor het recht op rente stellen. Het neemt daarbij in aanmerking alle verzekeringstijdvakken en daarmede gelijkgestelde tijdvakken, door die onderdaan ingevolge de wettelijke regelingen van elk der beide Partijen vervuld alsof zij vervuld waren onder zijn eigen nationale wettelijke regelingen.
**3.** Indien het recht op rente overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid van dit artikel wordt vastgesteld, berekent het bevoegde orgaan van elk der beide Partijen
de rente, welke aan de onderdaan ingevolge zijn eigen nationale wettelijke regelingen zou zijn verschuldigd geweest, indien alle verzekeringstijdvakken en daarmede gelijkgestelde tijdvakken ingevolge de wettelijke regelingen van elk der beide Partijen door hem vervuld en berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 31, krachtens zijn eigen nationale wettelijke regelingen waren vervuld en
het gedeelte van de rente bedoeld onder a, dat in gelijke verhouding staat tot de gehele rente als de som van alle verzekeringstijdvakken en daarmede gelijkgestelde tijdvakken, door die onderdaan krachtens zijn eigen nationale wettelijke regelingen vervuld, staat tot het totaal van alle verzekeringstijdvakken en daarmede gelijkgestelde tijdvakken, door hem krachtens de wettelijke regelingen van beide Partijen vervuld.
Het op deze wijze berekende gedeelte vormt de werkelijke rente, door het bevoegde orgaan verschuldigd aan de onderdaan.
**4.** Indien het totaal van alle verzekeringstijdvakken en daarmede gelijkgestelde tijdvakken, door een onderdaan krachtens de wettelijke regelingen van een der beide Verdragsluitende Partijen vervuld, minder bedraagt dan zes maanden, wordt geen rente ingevolge de wettelijke regelingen van dat land uitgekeerd.
**5.** Voor de toepassing van dit artikel wordt een verzekeringstijdvak of daarmede gelijkgesteld tijdvak, door een onderdaan vervuld, geacht te zijn een verzekeringstijdvak of daarmede gelijkgesteld tijdvak, vervuld door de echtgenoot van een onderdaan, voorzover de betrokken onderdaan een vrouw is die aanspraak maakt op een ouderdomsrente op grond van de verzekering van haar echtgenoot.
TITEL III › HOOFDSTUK DERDE
Artikel 19
Artikel 19
Onderdeel van Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk· Arbitrage
Deze tekst geldt sinds 1 juni 1955