Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Overeenkomst betreffende de uitwisseling van stagiaires tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk· Onderwijsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 juni 1955

(1). Het aantal stagiaires, dat in elk van de overeenkomstsluitende staten kan worden toegelaten, mag per kalenderjaar niet meer dan 100 (één honderd) bedragen. (2). Tot het in het eerste lid vastgelegde contingent worden alle stagiaires gerekend, die in de loop van het kalenderjaar als zodanig worden toegelaten, onverschillig voor welke duur dit geschiedt en op welk tijdstip daarvan gebruik wordt gemaakt. Stagiaires worden niet tot het in het eerste lid vastgelegde contingent van het lopende kalenderjaar gerekend, wanneer zij in een van de overeenkomstsluitende staten verblijven krachtens een vergunning, welke reeds het jaar daarvóór werd verleend. (3). Indien het in het eerste lid vastgestelde contingent door de stagiaires van een der overeenkomstsluitende staten in de loop van een kalenderjaar niet wordt bereikt, mag deze staat noch het aantal van de aan de stagiaires van de andere overeenkomstsluitende staat te verlenen vergunningen verminderen, noch het ongebruikte deel van het contingent naar het volgende kalenderjaar overboeken. (4). Het in het eerste lid genoemde aantal stagiaires kan op voorstel van een van de overeenkomstsluitende staten door een notawisseling tussen de in artikel 8, derde lid, genoemde autoriteiten worden gewijzigd. Een zodanige overeenkomst voor het volgende kalenderjaar moet uiterlijk 1 December getroffen worden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel