Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK ELF › AFDELING A

Artikel 11.1

Beginselen

Onderdeel van Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds· Financieel en economisch recht

Deze tekst geldt sinds 13 december 2015

1. De partijen erkennen het belang van een vrije en onvervalste mededinging voor hun handelsbetrekkingen. De partijen verbinden zich ertoe hun respectieve mededingingswetgeving zo toe te passen dat wordt voorkomen dat de voordelen van de handelsliberalisering op het gebied van goederen, diensten en vestiging door concurrentieverstorend gedrag van ondernemingen of concurrentieverstorende transacties worden opgeheven of tenietgedaan. 2. De partijen handhaven op hun respectieve grondgebied uitgebreide mededingingswetgeving waarbij doeltreffend wordt opgetreden tegen beperkende overeenkomsten, onderling afgestemde feitelijke gedragingen77)De toepassing van dit artikel op onderling afgestemde feitelijke gedragingen wordt bepaald door de mededingingswetgeving van elk van de partijen.en misbruik van machtspositie door een of meer ondernemingen en waarin wordt voorzien in een doeltreffend toezicht op concentraties van ondernemingen. 3. De partijen komen overeen dat de volgende concurrentie beperkende activiteiten onverenigbaar zijn met de goede werking van deze overeenkomst, voor zover zij de handel tussen de partijen nadelig kunnen beïnvloeden: overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van verenigingen van ondernemingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, die ten doel of als gevolg hebben dat de mededinging op het grondgebied van een van de partijen als geheel of in een aanzienlijk deel daarvan wordt voorkomen, beperkt of verstoord; het misbruik door een of meer ondernemingen van een machtspositie op het grondgebied van een van de partijen als geheel of in een aanzienlijk deel daarvan; of concentraties tussen ondernemingen die aanzienlijke hinder veroorzaken voor een doeltreffende mededinging, in het bijzonder als gevolg van de totstandbrenging of versterking van een machtspositie op het grondgebied van een van de partijen als geheel of in een aanzienlijk deel daarvan.

Rechtspraak bij dit artikel