De Organisatie en de Staten-Leden zullen te allen tijde samenwerken teneinde de juiste rechtsbedeling te vergemakkelijken, de inachtneming van politiemaatregelen te verzekeren en elk misbruik in verband met de immuniteiten en voorrechten, vermeld in dit Verdrag te voorkomen. Indien een Staat, welke lid is van de Organisatie, van mening is dat er misbruik is gemaakt van enige immuniteit of enig voorrecht verleend door dit Verdrag, zal er tussen die Staat en de Organisatie, of tussen de betreffende Staten, overleg worden gepleegd, teneinde te beslissen of zodanig misbruik heeft plaatsgevonden en in het bevestigende geval, te trachten te verzekeren dat geen herhaling zal plaatsvinden. Niettegenstaande het voorgaande of enige andere bepaling van dit Verdrag kan een Staat, lid van de Organisatie, welke van mening is dat een persoon zijn voorrecht van woonplaats of een ander voorrecht of andere immuniteit, hem krachtens dit Verdrag verleend, misbruikt heeft, eisen dat deze persoon zijn grondgebied verlaat.
TITEL I
Artikel 2
Artikel 2
Onderdeel van Verdrag nopens de rechtspositie van de Westeuropese Unie, van de nationale vertegenwoordigers bij haar organen en van haar internationale staf· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 19 juli 1956