Naar hoofdinhoud

Afdeling I

Artikel 1

Artikel 1

Onderdeel van Overeenkomst inzake het personenvervoer door middel van autobusdiensten tussen Nederland en Oostenrijk· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 1960

a. Het vervoer door middel van autobusdiensten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk mag alleen worden verricht op grond van vergunningen, verleend door de eigen Staat en door de andere Staat alsmede, waar nodig, door de Staten waardoorheen het vervoer zal worden verricht. Bij de verlening van de vergunningen wordt het beginsel van wederkerigheid gevolgd. b. De vergunningen worden eerst dan verleend, wanneer er tussen de Overeenkomstsluitende Partijen overeenstemming heerst over de behoefte aan een autobusdienst en, waar nodig, de toestemming is verkregen van de Staten waardoorheen het vervoer zal worden verricht. c. Aanvragen voor verlening van een dergelijke vergunning moeten worden ingediend bij de bevoegde autoriteiten van de eigen Staat. Wanneer deze autoriteiten, na voorafgaand onderzoek, van mening zijn dat de aanvraag kan worden ingewilligd, zenden zij een gelijkluidend afschrift van de aanvraag, voorzien van hun oordeel, aan de bevoegde autoriteiten van de andere Staat. Nadat het bevestigend oordeel van de andere Staat is verkregen, vragen de autoriteiten van de eigen Staat de toestemming van de Staten waardoorheen het vervoer zal worden verricht. d. De vergunningen staan op naam van een bepaalde onderneming (ondernemer) en kunnen niet worden overgedragen. Zij verplichten de vergunninghouder de autobusdienst uit te oefenen overeenkomstig de bepalingen van de vergunning.

Rechtspraak bij dit artikel