Naar hoofdinhoud
De verlening van de uitkeringen in geld, welke zijn betaald door bemiddeling van een orgaan, bedoeld in artikel 8, neemt een einde, zodra het orgaan van het land, waar de zieke verblijft, op de voor zijn eigen verzekerden gebruikelijke wijze heeft vastgesteld, dat het recht op uitkeringen is geëindigd. De verlening van de verstrekkingen in natura neemt een einde, zodra het orgaan van het land, waar de zieke verblijft, op de voor zijn eigen verzekerden gebruikelijke wijze heeft vastgesteld, dat het recht op verstrekkingen is geëindigd. Het orgaan, dat de uitkeringen of verstrekkingen verschuldigd is, kan echter zelf, op grond van de door het orgaan van het land, waar de zieke verblijft, medegedeelde feiten, beslissen, dat de zieke geen recht meer heeft op de uitkeringen of verstrekkingen. In dat geval dient het eerstbedoelde orgaan zijn beslissing door bemiddeling van het orgaan van het andere land ter kennis te brengen van de zieke. De verstrekkingen in natura worden niet meer verleend met ingang van de achtste dag, volgende op de datum, waarop het orgaan, dat bevoegd is voor de plaats, waar de zieke verblijft, van de genomen beslissing is verwittigd. Indien de zieke in een ziekeninrichting is opgenomen, gaat deze maatregel in met ingang van de vijftiende dag.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel