Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Stukken ter ondersteuning

Onderdeel van Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Peru· Strafrecht

Deze tekst geldt sinds 1 maart 2014

1. De ontvangende Staat verstrekt de overbrengende Staat op diens verzoek: een document of verklaring dat de gevonniste persoon een onderdaan is van die Staat; een afschrift van het toepasselijke recht van de ontvangende Staat waaruit blijkt dat het handelen of het nalaten, op grond waarvan de veroordeling in de overbrengende Staat werd uitgesproken, naar het recht van de ontvangende Staat een strafbaar feit oplevert of een strafbaar feit zou opleveren indien gepleegd op zijn grondgebied. 2. Indien een overbrenging wordt verzocht, verstrekt de overbrengende Staat de navolgende stukken aan de ontvangende Staat tenzij een van beide Staten reeds heeft aangegeven dat hij niet met de overbrenging zal instemmen: een gewaarmerkt afschrift van het vonnis en de wettelijke bepalingen die daaraan ten grondslag liggen; een opgave van het reeds ondergane gedeelte van een veroordeling, daaronder begrepen inlichtingen omtrent enige voorlopige hechtenis, strafvermindering en elke andere voor de tenuitvoerlegging van de veroordeling ter zake dienende omstandigheid; een document, van welke aard dan ook, waaruit de uitdrukkelijke instemming blijkt van de gevonniste persoon of van zijn wettelijke vertegenwoordiger indien de persoon minderjarig is of indien vanwege zijn lichamelijke of geestelijke toestand een vertegenwoordiger noodzakelijk is; waar nodig, een medisch of sociaal rapport omtrent de gevonniste persoon, inlichtingen betreffende zijn gedrag tijdens de detentie en zijn behandeling in de overbrengende Staat en elke aanbeveling ten aanzien van zijn verdere behandeling in de ontvangende Staat; en de van toepassing zijnde bepalingen inzake mogelijke vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling of elke beslissing omtrent vervroegde invrijheidstelling die verband houdt met de tenuitvoerlegging van het vonnis dat het onderwerp van het verzoek is. 3. Elk van beide Staten kan verzoeken in het bezit te worden gesteld van de in het eerste of tweede lid hierboven bedoelde stukken alvorens een verzoek tot overbrenging te doen of een beslissing te nemen of hij al dan niet met de overbrenging zal instemmen.

Rechtspraak bij dit artikel