Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK IV

Artikel 9

Artikel 9

Onderdeel van Douaneverdrag inzake de tijdelijke invoer van particuliere wegvoertuigen· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 5 juni 1958

1. Het gewicht dat op de Bewijzen van tijdelijke invoer moet worden vermeld, is het eigen gewicht van het voertuig. Het moet worden uitgedrukt volgens het metrieke stelsel. Indien de Bewijzen slechts geldig zijn voor één enkel land, kunnen de douane-autoriteiten van dat land het gebruik van een ander stelsel voorschrijven. 2. De op de Bewijzen van tijdelijke invoer te vermelden waarde moet, indien bedoelde Bewijzen slechts voor één enkel land geldig zijn, worden uitgedrukt in de geldsoort van dat land. De waarde welke op een „carnet de passages en douane” moet worden vermeld, dient te zijn uitgedrukt in de geldsoort van het land waar het „carnet” is afgegeven. 3. Voorwerpen en gereedschappen welke tot de normale uitrusting van voertuigen behoren, behoeven niet afzonderlijk op de Bewijzen van tijdelijke invoer te worden vermeld. 4. Indien de douane-autoriteiten zulks vorderen, moeten reservedelen (zoals wielen, binnen- en buitenbanden), alsmede toebehoren welke niet geacht worden tot de normale uitrusting van het voertuig te behoren (zoals radio-ontvangtoestellen, aanhangwagens waarvoor geen afzonderlijk Bewijs is afgegeven, en bagagedragers) op de Bewijzen van tijdelijke invoer worden vermeld met aanduiding van de nodige bijzonderheden (zoals gewicht en waarde). Bij het verlaten van het land dat is bezocht, moeten genoemde delen en toebehoren worden getoond.

Rechtspraak bij dit artikel