Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk I › Afdeling III › ONDERAFDELING A

Artikel 16

Artikel 16

Onderdeel van Verdrag inzake de territoriale zee en de aansluitende zone· Migratierecht

Deze tekst geldt sinds 20 maart 1966

1. De kuststaat kan binnen zijn territoriale zee de maatregelen nemen welke nodig zijn om een doorvaart die niet onschuldig is, te voorkomen. 2. In het geval van schepen die op weg zijn naar de binnenwateren, heeft de kuststaat eveneens het recht de maatregelen te nemen welke noodzakelijk zijn om te voorkomen, dat inbreuk wordt gemaakt op de voorwaarden waaraan de toelating van die schepen tot de binnenwateren is onderworpen. 3. Met inachtneming van de bepalingen van lid 4 kan de kuststaat, zonder onderscheid te maken tussen schepen van vreemde nationaliteit, in bepaalde gebieden van zijn territoriale zee de uitoefening van het recht van onschuldige doorvaart van vreemde schepen tijdelijk opschorten, indien die opschorting onontbeerlijk is voor de bescherming van zijn veiligheid. Een zodanige opschorting wordt slechts van kracht nadat zij op behoorlijke wijze is bekend gemaakt. 4. Het recht van onschuldige doorvaart van vreemde schepen mag niet worden opgeschort in zeestraten die gebruikt worden voor de internationale scheepvaart tussen een bepaald deel van de volle zee en een ander deel van de volle zee dan wel de territoriale zee van een vreemde staat.

Rechtspraak bij dit artikel