**1.** De autoriteiten van een krijgsmacht kunnen leden van een civiele dienst en andere personen in dienst bij de krijgsmacht machtigen tot het bezitten en dragen van wapenen in verband met de verantwoordelijkheid van die personen voor de beveiliging van geld of goederen of de omstandigheid dat zij in bijzondere mate gevaar lopen tengevolge van het speciale karakter van hun officiële functie of werkzaamheden.
**2.** De autoriteiten van de krijgsmacht stellen met betrekking tot het gebruik van wapenen door de personen die daartoe gemachtigd zijn op de voet van het eerste lid van dit artikel, voorschriften vast die in overeenstemming zijn met de Duitse wetgeving inzake noodweer (Notwehr).
**3.** De personen, gemachtigd op de voet van het eerste lid van dit artikel, mogen uitsluitend vuurwapenen bij zich dragen indien zij in het bezit zijn van een verklaring afgegeven door de autoriteiten van de krijgsmacht, dat zij daartoe gerechtigd zijn. Een dienstidentiteitsbewijs voorzien van een desbetreffende aantekening wordt eveneens als een zodanige verklaring beschouwd.
**4.** De autoriteiten van de krijgsmacht geven deze verklaringen uitsluitend af aan personen omtrent wier betrouwbaarheid geen gerede twijfel bestaat. Zij trekken op verzoek van de Duitse autoriteiten of op grond van hun eigen beslissing een verklaring in, indien is komen vast te staan dat de houder zijn vuurwapen heeft misbruikt of indien er gerede twijfel bestaat omtrent zijn betrouwbaarheid.
Artikel 12
Artikel 12
Onderdeel van Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noordatlantische Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, met betrekking tot de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde buitenlandse krijgsmachten· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 29 maart 1998