Naar hoofdinhoud
1. De militaire autoriteiten van een Staat van herkomst zijn, in overeenstemming met de in die Staat geldende voorschriften, gerechtigd te beschikken over de stoffelijke resten van de leden van de krijgsmacht, van de civiele dienst en van gezinsleden die zijn overleden op het grondgebied van de Bondsrepubliek, alsmede die lijkschouwingen te verrichten die uit medische overwegingen of met het oog op een strafrechtelijk onderzoek noodzakelijk zijn. Verzoeken van Duitse autoriteiten om lijkschouwingen te verrichten worden ingewilligd; in geval van lijkschouwingen uit medische overwegingen geldt zulks slechts in zoverre een lijkschouwing krachtens het recht van de Staat van herkomst is toegestaan. Bij een lijkschouwing mag een aan een Duitse rechtbank verbonden arts (Gerichtsarzt) of een arts van de openbare gezondheidsdienst (Amtsarzt) aanwezig zijn. In geval van een lijkschouwing met het oog op een Duits strafrechtelijk onderzoek zijn een Duitse rechter of officier van justitie gerechtigd aanwezig te zijn; hun aanwijzingen betreffende de vereisten van het Duitse strafprocesrecht ter zake van lijkschouwingen dienen in acht te worden genomen. Ingeval een Duitse rechtbank of autoriteit bevoegd is een lijkschouwing te gelasten, zijn de tweede, derde en vierde volzin van dit lid van overeenkomstige toepassing indien de militaire autoriteiten van de Staat van herkomst belang hebben bij het resultaat van de lijkschouwing. 2. De militaire autoriteiten van een staat van herkomst zijn, indien zij daartoe krachtens de wetgeving van die staat bevoegd zijn, gerechtigd tot het in bezit nemen van de zich binnen het grondgebied van de Bondsrepubliek bevindende persoonlijke roerende eigendommen van de overledene en deze in de eerste plaats aan te wenden tot betaling van alle volgens het recht van de staat van herkomst bevoorrechte vorderingen en in de tweede plaats tot de voldoening van alle andere op het grondgebied van de Bondsrepubliek ontstane schulden ten aanzien waarvan op dat grondgebied een wettelijke betalingsverplichting bestaat, en daarna over het restant te beschikken overeenkomstig het recht dat ten aanzien van de nalatenschap van de overledene van toepassing is. De bepalingen van dit lid zijn niet van toepassing indien de overledene een Duitser is. 3. De krijgsmachten hebben het recht op overeengekomen terreinen begraafplaatsen aan te leggen en te onderhouden voorzover dit noodzakelijk is bij de vervulling van hun taak ten aanzien van de verdediging.

Rechtspraak bij dit artikel