Naar hoofdinhoud
1. Indien in de loop van een al dan niet strafrechtelijke procedure voor een rechtbank of autoriteit van een krijgsmacht of van de Bondsrepubliek blijkt dat een staatsgeheim van een der betrokken staten, of van beide, of een inlichting die de veiligheid van een dezer staten, of van beide, zou kunnen schaden, openbaar gemaakt zou kunnen worden, verzoekt de rechtbank of autoriteit, alvorens verdere actie te nemen, de bevoegde autoriteit om schriftelijk haar toestemming te geven tot het openbaar maken van het staatsgeheim of de inlichting. Indien de bevoegde autoriteit bezwaar heeft tegen de openbaarmaking, neemt de rechtbank of autoriteit alle haar ter beschikking staande maatregelen, met inbegrip van die bedoeld in het tweede lid, om de openbaarmaking te voorkomen, mits daardoor geen inbreuk gemaakt wordt op de grondwettelijke rechten van een der partijen. 2. De bepalingen van de artikelen 172 tot en met 175 van de Duitse Wet op de Rechterlijke Organisatie (Gerichtsverfassungsgesetz), aangaande behandeling met gesloten deuren in al dan niet strafrechtelijke procedures, en de bepalingen van artikel 15 van het Duitse Wetboek van Strafvordering inzake de overdracht van strafzaken aan een rechtbank in een ander ressort, zijn van overeenkomstige toepassing in zaken voor Duitse rechtbanken en autoriteiten, indien de veiligheid van een krijgsmacht of een civiele dienst in gevaar dreigt te worden gebracht.

Rechtspraak bij dit artikel