Naar hoofdinhoud
1. Behalve in het geval dat de verdachte een Duitser is, is noch artikel 19 van deze Overeenkomst, noch artikel VII, eerste, tweede en derde lid, van het NAVO-Status Verdrag van toepassing op een voor de inwerkingtreding van deze Overeenkomst gepleegd strafbaar feit waarvan een lid van de krijgsmachten wordt beschuldigd, indien vóór dat tijdstip: de strafprocedures met betrekking tot een zodanig strafbaar feit zijn aangevangen of beëindigd door een autoriteit van een krijgsmacht die rechtsmacht uitoefent, of de vervolging van het strafbaar feit is verjaard door verloop van een bepaalde termijn krachtens de wetgeving van de betrokken staat van herkomst. Indien strafprocedures aanhangig zijn op de datum van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst blijven de bepalingen van het Krijgsmachtenverdrag betreffende de uitoefening van rechtsmacht inzake door deze leden gepleegde strafbare feiten op deze procedures tot aan hun beëindiging van toepassing als ware het Krijgsmachtenverdrag nog van kracht, mits de Duitse autoriteiten binnen tien dagen na die datum mededeling van deze aanhangige zaken wordt gedaan. 2. Bij het bepalen van de strafmaat ten aanzien van een strafbaar feit gepleegd vóór de inwerkingtreding van deze Overeenkomst houdt de Duitse rechtbank of autoriteit naar behoren rekening met de straf voorzien bij de wetgeving van de staat van herkomst waaraan de verdachte onderworpen was op het moment van het plegen van het strafbare feit, indien blijkt dat deze straf lichter is dan die welke is voorgeschreven bij de Duitse wetgeving.

Rechtspraak bij dit artikel