Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK IV

Artikel 8

Artikel 8

Onderdeel van Vredesverdrag met Japan· Openbare orde en veiligheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 17 juni 1952

(a). Japan zal de volledige geldigheid erkennen van alle verdragen nu of hierna gesloten door de Geallieerde Mogendheden met het doel de staat van oorlog, welke op 1 September 1939 begon, te doen eindigen, evenals van alle andere regelingen van de Geallieerde Mogendheden voor of in verband met het herstel van de vrede. Japan aanvaardt eveneens de regelingen getroffen voor het opheffen van de vroegere Volkenbond en het Permanente Hof van Internationale Justitie. (b). Japan doet afstand van alle rechten en belangen, welke het zou kunnen baseren op het feit, dat het een der ondertekenende mogendheden was van de verdragen van Saint Germain-en-Laye van 10 September 1919, en de Overeenkomst van Montreux van 20 Juli 1936 nopens het zeeëngten regime, en op Artikel 16 van het Vredesverdrag met Turkije, getekend op 24 Juli 1923 te Lausanne. (c). Japan doet afstand van alle rechten, titels en belangen verworven krachtens, en wordt ontslagen van alle verplichtingen voortvloeiende uit, de Overeenkomst tussen Duitsland en de Crediteurstaten van 20 Januari 1930, en de daarbij behorende Bijlagen, met inbegrip van de Trust-Overeenkomst, gedateerd 17 Mei 1930; het Verdrag van 20 Januari 1930 betreffende de Bank voor Internationale Betalingen; en de Statuten van de Bank voor Internationale Betalingen. Japan zal het Ministerie van Buitenlandse Zaken te Parijs binnen zes maanden na de datum, waarop dit Verdrag voor het eerst in werking treedt, kennis geven van zijn afstand van de rechten, titels en belangen bedoeld in dit lid.

Rechtspraak bij dit artikel