**1.** Van het vallen der duisternis af en gedurende de nacht, alsmede wanneer de weersomstandigheden het noodzakelijk maken, moet een voertuig of een samenstel van voertuigen op een weg ten minste een wit licht aan de voorzijde voeren en ten minste een rood licht aan de achterzijde. Wanneer een voertuig, voor zover geen rijwiel of motorrijwiel zonder zijspan, aan de voorzijde slechts met een wit licht is uitgerust, moet dit zijn aangebracht aan de zijde, het dichtst bij het tegenliggende verkeer. In landen, waar twee witte voorlichten zijn voorgeschreven, moeten deze rechts en links aan het voertuig zijn aangebracht. Het rode licht mag worden voortgebracht door een afzonderlijke inrichting, dan wel door dezelfde als die van het voorlicht of de voorlichten, indien het voertuig daarvoor niet te lang is en de bouw zulks toelaat.
**2.** In geen geval mag een voertuig een naar voren gericht rood licht of een naar voren gerichte rode reflector voeren, noch een naar achteren gericht wit licht of een naar achteren gerichte witte reflector. Dit voorschrift is niet van toepassing op een wit of geel achteruitrijlicht, zo dikwijls de wetgeving van het land van inschrijving van het voertuig zulk een licht toelaat.
**3.** De lichten en reflectors moeten zodanig zijn, dat zij het voertuig voor andere weggebruikers duidelijk waarneembaar maken.
**4.** De Verdragsluitende Staten of hun samenstellende delen mogen, onder voorwaarde dat alle maatregelen ter verzekering van normale verkeersveiligheid zijn genomen, van de bepalingen van dit artikel uitzonderen:
voertuigen, gebruikt voor bijzondere doeleinden of onder bijzondere omstandigheden;
voertuigen van bijzondere vorm of aard;
stilstaande voertuigen op voldoende verlichte wegen.
HOOFDSTUK II
Artikel 15
Artikel 15
Onderdeel van Verdrag nopens het wegverkeer· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 19 oktober 1952