Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK VII

Artikel 28

Artikel 28

Onderdeel van Verdrag nopens het wegverkeer· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 19 oktober 1952

1. Elke Staat kan bij de ondertekening, de bekrachtiging of de toetreding, alsook te allen tijde daarna in een aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties gerichte kennisgeving verklaren, dat de bepalingen van dit Verdrag mede van toepassing zullen zijn voor een of meer der gebieden, voor welker buitenlandse betrekkingen hij verantwoordelijk is. De bepalingen worden voor de in de kennisgeving genoemde gebieden van toepassing dertig dagen na ontvangst dier kennisgeving door de Secretaris-Generaal of, bij geval het Verdrag op dat tijdstip nog niet in werking is getreden, op het tijdstip van inwerkingtreding van het Verdrag. 2. Voorzover de omstandigheden zulks toelaten, verbinden de Verdragsluitende Staten zich zo spoedig mogelijk de nodige maatregelen te treffen, teneinde de toepasselijkheid van dit Verdrag uit te strekken tot de gebieden, voor welker buitenlandse betrekkingen zij verantwoordelijk zijn, behoudens, voorzover om grondwettelijke redenen vereist, de toestemming van de Regering dier gebieden. 3. Elke Staat, welke overeenkomstig het eerste lid van dit artikel een verklaring heeft afgelegd, waarbij dit Verdrag van toepassing wordt verklaard voor een gebied, voor welks buitenlandse betrekkingen hij verantwoordelijk is, kan te allen tijde daarna in een tot de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties gerichte kennisgeving verklaren, dat dit Verdrag niet langer van toepassing zal zijn voor het in die kennisgeving genoemde gebied. In dat geval zal het Verdrag na verstrijken van een jaar sinds de datum der kennisgeving ophouden voor dat gebied van toepassing te zijn.

Rechtspraak bij dit artikel