Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Artikel 2

Onderdeel van Verdrag betreffende bewijzen van bekwaamheid als volmatroos· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 14 juli 1951

1. De bevoegde autoriteit zal de nodige regelingen treffen voor het houden van examens en de afgifte van de bewijzen van bekwaamheid. 2. Niemand mag een bewijs van bekwaamheid verkrijgen: indien hij niet de minimum leeftijd, bepaald door de bevoegde autoriteit, bereikt heeft; indien hij niet als lid van het dekpersoneel gedurende een minimumtijdvak, vast te stellen door de bevoegde autoriteit, op zee heeft dienst gedaan; indien hij niet met goed gevolg het door de bevoegde autoriteit voorgeschreven examen heeft afgelegd. 3. De minimum leeftijd door de bevoegde autoriteit vast te stellen mag niet lager dan 18 jaar zijn. 4. Het minimum tijdvak van dienst op zee door de bevoegde autoriteit vast te stellen mag niet korter dan 36 maanden zijn. De bevoegde autoriteit zal echter: kunnen toestaan, indien het personen betreft, die daadwerkelijk gedurende ten minste 24 maanden op zee dienst hebben gedaan en die met voldoende gevolg een cursus voor beroepsopleiding in een toegestane inrichting hebben gevolgd, dat de tijd in die opleiding besteed, of een gedeelte van die tijd, beschouwd wordt als een tijdvak van dienst op zee; kunnen toestaan, dat aan leerlingen van goedgekeurde zeeschoolschepen, die 18 maanden aan boord van die schepen dienst hebben gedaan, op hun goede getuigschriften, bij het verlaten van de school verkregen, bewijzen van bekwaamheid als volmatroos worden afgegeven. 5. Het voorgeschreven examen zal een practische proef zijn in kennis van zeemanschap van de candidaat en van zijn geschiktheid om zich op een doeltreffende wijze te kwijten van alle taken, welke van een volmatroos gevorderd kunnen worden, daaronder begrepen de behandeling van reddingsboten. Dat examen zal voldoende moeten zijn om een candidaat, die met succes de proeven heeft afgelegd, het bijzondere bewijs van „gediplomeerd sloepsgast” te doen verkrijgen, bedoeld in artikel 22 van het internationale verdrag ter beveiliging van mensenlevens op zee, 1929, of van de overeenkomstige bepalingen van een volgend verdrag van kracht in het betreffende gebied, dat genoemd verdrag herziet of daarvoor in de plaats treedt.

Rechtspraak bij dit artikel