Naar hoofdinhoud
(a). Elke onderdaan kan op het tijdstip waarop zijn aanspraak op enig voordeel, bedoeld in artikel 4, ontstaat, afstand doen van de regeling van artikel 2 van dit Verdrag. De voordelen waarop hij recht kan doen gelden volgens de wetgeving van elke Verdragsluitende Partij worden alsdan afzonderlijk uitbetaald door de betrokken organen, hetzij onafhankelijk van de verzekeringstijdvakken of van de daarmede gelijkgestelde tijdvakken, welke in een of meer andere landen zijn vervuld, hetzij overeenkomstig de toepasselijke Wederkerigheidsverdragen. (b). Die onderdaan heeft de bevoegdheid opnieuw een keus te doen tussen de voordelen van de bepalingen van artikel 2 en die van het onderhavige artikel, op het tijdstip, waarop hij een nieuw recht op rente verkrijgt, krachtens één der op hem van kracht zijnde wetgevingen inzake sociale zekerheid, indien dit in zijn belang is, hetzij ten gevolge van een wijziging in de wetgeving inzake sociale zekerheid van een van de Verdragsluitende Partijen, hetzij in verband met zijn verhuizing van het ene land naar het andere land, hetzij in het geval bedoeld in lid (d) van artikel 4.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel