**1.** Teneinde de vrede en veiligheid te versterken, de eenheid te bevorderen en de geleidelijke integratie van Europa en een nauwere samenwerking onderling en met andere Europese organisaties aan te moedigen, stellen de Hoge Verdragsluitende Partijen welke partij zijn bij het Verdrag van Brussel een Raad in, welke aangelegenheden zal behandelen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van dit Verdrag, zijn Protocollen en hun Bijlagen.
**2.** Deze Raad wordt aangeduid als de „Raad van de West-Europese Unie”; hij zal aldus worden georganiseerd dat hij zijn functies permanent kan uitoefenen; hij zal die hulporganen in het leven roepen welke noodzakelijk worden geoordeeld: hij zal met name onmiddellijk een Agentschap instellen voor het toezicht op de bewapening welks functies zijn omschreven in Protocol No. IV.
**3.** Op verzoek van een der Hoge Verdragsluitende Partijen zal de Raad onmiddellijk worden bijeengeroepen teneinde de Hoge Verdragsluitende Partijen in staat te stellen overleg te plegen omtrent elke toestand, die een bedreiging voor de vrede zou kunnen vormen, waar deze zich ook mocht voordoen, of een gevaar voor de economische stabiliteit.
**4.** De Raad neemt met eenparigheid van stemmen beslissingen ten aanzien van aangelegenheden waarvoor geen andere wijze van stemmen is of zal worden overeengekomen. In de gevallen bedoeld in de Protocollen II, III en IV volgt de Raad de verschillende wijzen van stemmen, eenparigheid van stemmen, twee-derde meerderheid, enkelvoudige meerderheid, als daarin is vermeld. Ten aanzien van door het Agentschap voor het toezicht op de bewapening aan hem voorgelegde aangelegenheden, beslist de Raad met enkelvoudige meerderheid van stemmen.
Voorheen art. VII.
Artikel VIII
Artikel VIII
Onderdeel van Verdrag van economische, sociale en culturele samenwerking en collectieve zelfverdediging tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 6 mei 1955