Elk Lid van de Raad van Europa erkent de beginselen van de heerschappij van het recht, alsmede het beginsel, krachtens hetwelk een ieder, die onder zijn rechtsmacht is gesteld, de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden behoort te kunnen genieten. Elk Lid moet oprecht en krachtdadig medewerken aan de verwezenlijking van het doel van de Raad, zoals dit in Hoofdstuk I is omschreven.
HOOFDSTUK II
Artikel 3
Artikel 3
Onderdeel van Statuut van de Raad van Europa· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 9 december 1974