Naar hoofdinhoud

Artikel XIII

Kantoren en instanties van deponering

Onderdeel van Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds· Internationaal publiekrecht

Deze tekst geldt sinds 1 april 1978

Sectie 1. Plaats van vestiging der kantoren Het Hoofdkantoor van het Fonds wordt gevestigd binnen het grondgebied van het lid dat het grootste quotum heeft en agentschappen of bijkantoren kunnen in de gebieden van andere leden worden gevestigd. Sectie 2. Instanties van deponering Ieder lid wijst zijn Centrale Bank aan als instantie van deponering voor het totale bezit van het Fonds aan zijn valuta, of het wijst, indien het geen Centrale Bank bezit, een andere instelling aan die voor het Fonds aanvaardbaar is. Het Fonds kan andere activa, met inbegrip van goud, in bewaring geven bij de instanties van deponering die door de vijf leden met de grootste quota zijn aangewezen en bij andere aangewezen instanties van deponering die het Fonds kiest. Aanvankelijk wordt minstens de helft van de bezittingen van het Fonds bewaard bij de instantie van deponering die door het lid binnen welks grondgebied het Fonds zijn hoofdkantoor heeft, is aangewezen, en ten minste veertig procent bij de instanties van deponering die door de overige vier hierboven genoemde leden zijn aangewezen. Alle overdrachten van goud door het Fonds worden echter verricht met gepaste inachtneming van de transportkosten en de verwachte behoeften van het Fonds. In onvoorziene omstandigheden kan het College van Bewindvoerders een deel of het geheel van het goudbezit van het Fonds naar iedere plaats overbrengen waar het doeltreffend kan worden beschermd. Sectie 3. Garantie der activa van het Fonds Ieder lid garandeert alle activa van het Fonds tegen verlies ten gevolge van faillissement of het in gebreke blijven van de instelling die door hem als instantie van deponering is aangewezen. De Engelse tekst van de Overeenkomst is oorspronkelijk gepubliceerd in Stb. 1945/F 318. De vertaling is gepubliceerd in Stb. 1945/F 318. De Overeenkomst is in werking getreden op 27 december 1945, zie Trb. 1956/153. De Overeenkomst is gewijzigd volgens Trb. 1968/106.

Rechtspraak bij dit artikel