**(1).** De inkomstenbelasting over een belastingjaar aangevangen vóór 1 Januari 1936, aan de Verenigde Staten verschuldigd door een natuurlijk persoon (niet zijnde een burger der Verenigde Staten) wonende in Nederland of door een Nederlands lichaam, welke onbetaald is gebleven op het tijdstip van het in werking treden van dit Verdrag, kan worden geregeld naar een grondslag ten genoegen van de Commissioner of Internal Revenue der Verenigde Staten; behoudens dat het ter afdoening van de bedoelde verplichting te betalen bedrag niet te boven zal gaan het bedrag van de verplichting dat zou zijn vastgesteld indien:
(a) de Revenue Act van 1936 der Verenigde Staten (behalve in het geval van een Nederlands lichaam waarvan meer dan 50 percent van het gehele stemrecht, gedurende de laatste helft van het belastingjaar, middellijk of onmiddellijk, onafgebroken werd beheerst door burgers of inwoners der Verenigde Staten), en
(b) de Artikelen XII en XIII van dit Verdrag
voor bedoeld jaar van kracht waren geweest. Indien de belastingplichtige niet in de zin der bedoelde Revenue Act, een bedrijf in de Verenigde Staten uitoefende en aldaar gedurende het belastingjaar geen kantoor of bedrijfsinrichting heeft gehad, zal het bedrag van interest en boeten niet meer belopen dan 50 procent van het belastingbedrag ten aanzien waarvan bedoelde interest en boeten zijn berekend.
**(2).** De inkomstenbelasting der Verenigde Staten over enig belastingjaar, aangevangen na 31 December 1935 en voor het tijdstip van het in werking treden van dit Verdrag, welke onbetaald is gebleven op het tijdstip van het in werking treden van dit Verdrag en welke betrekking had op een natuurlijk persoon, inwoner van Nederland (niet zijnde een burger der Verenigde Staten) dan wel betrekking had op een Nederlands lichaam, zal worden vastgesteld alsof de bepalingen van de Artikelen XII en XIII van dit Verdrag voor dat belastingjaar reeds gegolden hadden.
**(3).** De bepalingen van het eerste lid van dit Artikel zullen niet van toepassing zijn;
(a) tenzij de belastingplichtige bij de Commissioner of Internal Revenue binnen twee jaar na de datum van het in werking treden van dit Verdrag schriftelijk het verzoek indient, dat zijn belastingverplichting in vorenbedoelde zin zal worden vastgesteld, en hij daarbij zodanige inlichtingen verstrekt als de Commissioner nodig oordeelt, of
(b) in elk geval, waarin de Commissioner de zekerheid heeft, dat enig verzuim inzake belasting is te wijten aan bedrog met het oogmerk de belasting te ontduiken.
Artikel XIV
Artikel XIV
Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika met betrekking tot belastingen van inkomsten en bepaalde andere belastingen· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 1 december 1948