**1.** De land- en luchtstrijdkrachten welke ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen, partij bij dit Protocol, in vredestijd onder bevel van de Geallieerde Opperbevelhebber Europa op het vasteland van Europa zal plaatsen, zullen in totale sterkte en aantallen formaties niet te boven gaan:
voor België, Frankrijk, de Bondsrepubliek Duitsland, Italië en Nederland, de maxima voor vredestijd, nedergelegd in de bijzondere overeenkomst gevoegd bij het Verdrag tot Oprichting van de Europese Defensie Gemeenschap, ondertekend te Parijs op 27 Mei 1952; en
voor het Verenigd Koninkrijk, vier divisies en de Tweede Tactische Luchtmacht;
voor Luxemburg, een regimentsgevechtsgroep.
**2.** Het aantal der in lid 1 genoemde formaties kan worden aangepast aan de behoeften van het ogenblik en kan zodanig worden gewijzigd als nodig mocht zijn teneinde haar geschikt te maken voor de NAVO, met dien verstande dat de overeenkomstige gevechtswaarde en totale sterkte niet wordt overschreden.
**3.** De opsomming van deze maxima verplicht geen der Hoge Verdragsluitende Partijen, haar strijdkrachten tot dat maximum uit te breiden of op dat maximum te handhaven, maar geeft haar wel het recht zulks te doen indien dit nodig mocht zijn.
Artikel 1
Artikel 1
Onderdeel van Protocol No. II betreffende de strijdkrachten van de West-Europese Unie· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 6 mei 1955