De bezettende Mogendheid is verplicht met alle haar ten dienste staande middelen, met medewerking van de nationale en plaatstelijke autoriteiten, de ziekeninrichtingen en de geneeskundige diensten in stand te houden, alsmede de volksgezondheid en de algemene hygiëne in het bezette gebied te verzekeren, in het bijzonder door de invoering en toepassing van prophylactische en preventieve maatregelen welke noodzakelijk zijn om de verbreiding van besmettelijke ziekten en van epidemieën te bestrijden. Aan het geneeskundig personeel van alle categorieën zal worden toegestaan zijn taak te vervullen.
Indien nieuwe ziekeninrichtingen worden geopend in bezet gebied en, de bevoegde organen van de bezette Staat aldaar niet meer functioneren, moeten de bezettingsautoriteiten, zo nodig, aan die ziekeninrichtingen de erkenning, als bedoeld in artikel 18, verlenen. Onder soortgelijke omstandigheden moeten de bezettingsautoriteiten eveneens het personeel van de ziekeninrichtingen en de transportvoertuigen krachtens de bepalingen van de artikelen 20 en 21 erkennen.
Bij de invoering van maatregelen voor de volksgezondheid en hygiëne, alsmede bij hun toepassing, moet de bezettende Mogendheid rekening houden met de morele en ethische opvattingen van de bevolking van het bezette gebied.
TITEL III › AFDELING III
Artikel 56
Artikel 56
Onderdeel van Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 3 februari 1955