Naar hoofdinhoud

DEEL II › HOOFDSTUK IV › Afdeling III. A

Artikel 41

Artikel 41

Onderdeel van Protocol nopens de verkeerstekens· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 22 oktober 1964

1. De aanvang van een voorrangsweg; mag worden aangeduid met het teken voorrangsweg (III. A. 8). 2. Ook mag het teken langs voorrangswegen worden herhaald. 3. Wanneer het teken III. A. 8 is gebruikt aan het begin van de voorrangsweg, wordt het einde van de voorrangsweg; aangeduid door het teken einde voorrangsweg (III. A. 9) 4. Het teken III. A. 9 mag eveneens worden gebruikt om aan te duiden, dat het einde van de voorrangsweg: nadert. In dat geval wordt beneden het teken een rechthoekig bord aangebracht, waarop de afstand is aangegeven, waarna de voorrang eindigt, zoals in figuur III. A. 9a. 5. De borden voor de in dit artikel bepaalde tekens bestaan in een vierkant, waarvan één punt naar beneden is gericht. 6. De zijde van het vierkant bedraagt tenminste 60 centimeter voor het standaardformaat, tenminste 40 centimeter voor het verkleinde formaat en 25 centimeter voor binnen bebouwde kommen herhaalde tekens. 7. De in dit artikel bepaalde tekens hebben een geel binnenvlak, waaromheen een witte rand, het geheel omsloten door een zwarte of donker gekleurde bies. Bij het teken III. A. 9 is de dwarsbalk zwart of donker van kleur. 8. De tekens zijn aangebracht aan de wegzijde, waarlangs het verkeer, waarop zij betrekking; hebben, nadert en zij zijn het verkeer tegemoet gewend. De tekens mogen aan de andere zijde van de weg worden herhaald.

Rechtspraak bij dit artikel