**1.** De aanvang van een voorrangsweg; mag worden aangeduid met het teken voorrangsweg (III. A. 8).
**2.** Ook mag het teken langs voorrangswegen worden herhaald.
**3.** Wanneer het teken III. A. 8 is gebruikt aan het begin van de voorrangsweg, wordt het einde van de voorrangsweg; aangeduid door het teken einde voorrangsweg (III. A. 9)
**4.** Het teken III. A. 9 mag eveneens worden gebruikt om aan te duiden, dat het einde van de voorrangsweg: nadert. In dat geval wordt beneden het teken een rechthoekig bord aangebracht, waarop de afstand is aangegeven, waarna de voorrang eindigt, zoals in figuur III. A. 9a.
**5.** De borden voor de in dit artikel bepaalde tekens bestaan in een vierkant, waarvan één punt naar beneden is gericht.
**6.** De zijde van het vierkant bedraagt tenminste 60 centimeter voor het standaardformaat, tenminste 40 centimeter voor het verkleinde formaat en 25 centimeter voor binnen bebouwde kommen herhaalde tekens.
**7.** De in dit artikel bepaalde tekens hebben een geel binnenvlak, waaromheen een witte rand, het geheel omsloten door een zwarte of donker gekleurde bies. Bij het teken III. A. 9 is de dwarsbalk zwart of donker van kleur.
**8.** De tekens zijn aangebracht aan de wegzijde, waarlangs het verkeer, waarop zij betrekking; hebben, nadert en zij zijn het verkeer tegemoet gewend. De tekens mogen aan de andere zijde van de weg worden herhaald.
DEEL II › HOOFDSTUK IV › Afdeling III. A
Artikel 41
Artikel 41
Onderdeel van Protocol nopens de verkeerstekens· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 22 oktober 1964