Naar hoofdinhoud

DEEL V

Artikel 53

Artikel 53

Onderdeel van Protocol nopens de verkeerstekens· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 22 oktober 1964

1. De lichten van de lichtsignalen ten behoeve van het verkeer hebben de volgende betekenis: Bij een stelsel met drie kleuren betekent rood licht, dat voertuigen het signaal niet voorbij mogen rijden en groen licht, dat voertuigen het signaal voorbij mogen gaan; geel licht, wanneer het gebruikt wordt na het groene licht, dat voertuigen het signaal niet voorbij mogen rijden, tenzij het voertuig bij het aangaan van het gele licht het signaal zo dicht is genaderd, dat het uit veiligheidsoogpunt niet meer kan stilhouden vóór het signaal; geel licht, wanneer het wordt gebruikt te zamen met of na het rode licht, dat een verandering van de aanwijzing van het signaal op handen is en niet, dat voertuigen mogen doorrijden. Bij een stelsel met twee kleuren betekent rood licht, dat voertuigen het signaal niet voorbij mogen rijden; groen licht, dat voertuigen het signaal voorbij mogen rijden; rood licht, dat verschijnt, terwijl het groene licht blijft branden, hetzelfde als het gele licht, dat op het groene volgt bij het stelsel met drie kleuren. 2. Wanneer een enkel geel knipperlicht wordt gebruikt, betekent dit: „voorzichtig!”. 3. De verschillende lichten zijn boven elkaar aangebracht. Als regel is het rode licht boven en het groene licht beneden aangebracht. Bij gebruik van een geel licht is dit laatste tussen het rode en het groene licht aangebracht. 4. Wanneer lichtsignalen ter zijde van de rijweg zijn aangebracht, bedraagt de afstand tussen de benedenrand van het laagste licht en de rijweg als regel ten minste 2 meter en ten hoogste 3,50 meter; voor zoveel mogelijk behoort elk lichtsignaal aan de overzijde van het kruispunt te worden herhaald. Wanneer de signalen boven de rijweg zijn aangebracht, bedraagt de afstand tussen de benedenrand van het laagste licht en de rijweg ten minste 4,50 meter.

Rechtspraak bij dit artikel