Wanneer de verdragsluitende mogendheden zich tot het Permanente Hof wensen te wenden voor de beslechting van een tussen hen gerezen geschil, dienen de arbiters die verzocht worden het scheidsgerecht te vormen dat bevoegd is tot een uitspraak over het geschil, te worden gekozen uit de algemene lijst van leden van het Hof.
Indien de partijen geen overeenstemming bereiken omtrent de samenstelling van het scheidsgerecht, wordt op de volgende wijze gehandeld:
Elke partij benoemt twee arbiters, waarvan er slechts één haar onderdaan mag zijn of gekozen uit degenen die door de partij als leden van het Permanente Hof zijn aangewezen.
Deze arbiters kiezen gezamenlijk een opperarbiter.
Bij staking van de stemmen wordt de keuze van de opperarbiter toevertrouwd aan een derde mogendheid, die in gemeenschappelijk overleg door de partijen wordt aangewezen.
Indien hieromtrent geen overeenstemming kan worden bereikt, wijst elke partij een andere mogendheid aan en de keuze van de opperarbiter geschiedt in gemeenschappelijk overleg door de aldus aangewezen mogendheden.
Indien deze twee mogendheden binnen twee maanden niet tot overeenstemming zijn gekomen, stelt elk van hen twee kandidaten voor die worden gekozen uit de lijst van leden die door de partijen zijn aangewezen en geen onderdanen van de partijen zijn. Het lot bepaalt welke van de aldus voorgestelde kandidaten de opperarbiter zal zijn.
De Franse tekst van het Verdrag en de vertaling zijn oorspronkelijk gepubliceerd in Stb. 1910/73.
TITEL IV › HOOFDSTUK II
Artikel 45
Artikel 45
Onderdeel van Verdrag voor de vreedzame beslechting van internationale geschillen· Arbitrage
Deze tekst geldt sinds 26 januari 1910