Naar hoofdinhoud
1. Om in aanmerking te blijven komen voor verstrekkingen in het nieuwe verblijfsland, dient de in het tweede lid van artikel 13 van het Verdrag bedoelde werknemer, of het in artikel 13, zesde lid, van het Verdrag bedoelde gezinslid, aan het orgaan van de nieuwe woonplaats een verklaring te overleggen waarbij het bevoegde orgaan hem toestaat na de overbrenging van zijn woonplaats het recht op verstrekkingen te behouden. Bedoeld orgaan geeft in deze verklaring eventueel de maximumduur aan waarover volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving verstrekkingen en nature mogen worden verleend. Het bevoegde orgaan kan op verzoek van de werknemer of van het orgaan van de nieuwe woonplaats, de verklaring ook na de overbrenging van de woonplaats van de werknemer uitreiken, wanneer deze om gemotiveerde redenen niet tevoren kon worden opgesteld. 2. Bij opneming in een ziekenhuis in de gevallen bedoeld in artikel 13, tweede en zesde lid van het Verdrag, geeft het orgaan van de nieuwe woonplaats binnen drie dagen na de datum waarop het hiervan kennis heeft gekregen, aan het bevoegde orgaan bericht van de datum van opneming in een ziekenhuis of een andere geneeskundige inrichting, alsmede van de vermoedelijke duur van de opneming; bij vertrek uit het ziekenhuis of de andere geneeskundige inrichting geeft het orgaan van de nieuwe woonplaats binnen dezelfde termijn het bevoegde orgaan bericht van de datum van vertrek. 3. Ter verkrijging van de machtiging waarvan het verlenen van de in het vierde lid van artikel 13 van het Verdrag bedoelde verstrekkingen afhankelijk is, richt het orgaan van de nieuwe woonplaats een verzoek aan het bevoegde orgaan. Laatstbedoeld orgaan kan hiertegen onder opgave van redenen binnen vijftien dagen, gerekend vanaf de verzending van dit verzoek, eventueel verzet aantekenen; indien na afloop van deze termijn bij het orgaan van de nieuwe woonplaats geen verzet is aangetekend, kent het de verstrekkingen toe. 4. Wanneer de in het vierde lid van artikel 13 van het Verdrag bedoelde verstrekkingen in onmiskenbare spoedgevallen zonder machtiging van het bevoegde orgaan moeten worden verleend, stelt het orgaan van de nieuwe woonplaats bedoeld orgaan hiervan onmiddellijk op de hoogte. 5. De onmiskenbare spoedgevallen in de zin van het vierde lid van artikel 13 van het Verdrag zijn die gevallen, waarin het verlenen van de verstrekking niet kan worden uitgesteld zonder het leven of de gezondheid van de betrokkene ernstig in gevaar te brengen. In het geval waarin een prothese of een kunstmiddel door een ongeval is gebroken of beschadigd, is het om de onmiskenbare spoed vast te stellen, voldoende de noodzaak van het herstel of de vernieuwing van het desbetreffende kunst- of hulpmiddel aan te tonen. 6. De bevoegde verbindingsorganen stellen de lijst van verstrekkingen samen, waarop de bepalingen van het vierde lid van artikel 13 van het Verdrag van toepassing zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel