Naar hoofdinhoud
1. De uitoefening van de in dit Verdrag vervatte rechten en beschermende bepalingen kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die welke bij wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van de openbare veiligheid, ter voorkoming van strafbare feiten, voor de bescherming van de volksgezondheid of ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. 2. De in het eerste lid bedoelde beperkingen mogen niet worden toegepast op de artikelen 11, 13, 14, 16, 17, 19, 20 en 21.

Rechtspraak bij dit artikel