Naar hoofdinhoud
1. Iedere Staat en de Europese Gemeenschap kunnen bij de ondertekening van dit Verdrag of bij de nederlegging van de akte van bekrachtiging een voorbehoud maken met betrekking tot een specifieke bepaling van het Verdrag voor zover een op zijn/haar grondgebied op dat moment geldende wet niet in overeenstemming is met de betrokken bepaling. Voorbehouden van algemene aard zijn niet toegestaan op grond van dit artikel. 2. Ieder voorbehoud gemaakt ingevolge dit artikel moet een korte uiteenzetting bevatten van de desbetreffende wet. 3. Iedere Partij die de toepassing van dit Verdrag uitbreidt tot een gebied genoemd in de in artikel 35, tweede lid, bedoelde verklaring kan, met betrekking tot dat gebied, een voorbehoud maken overeenkomstig de bepalingen van de voorgaande leden. 4. Iedere Partij die het in dit artikel bedoelde voorbehoud heeft gemaakt, kan dit intrekken door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. De intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de maand volgend op het verstrijken van een tijdvak van een maand na de datum van ontvangst van de verklaring door de Secretaris-Generaal.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel