**1.** Onverminderd de artikelen 17 en 20 mag een handeling ten aanzien van een persoon die niet in staat is zijn toestemming te geven alleen worden verricht wanneer deze hem of haar rechtstreeks ten goede komt.
**2.** In de gevallen waarin, volgens de wet, een minderjarige niet bekwaam is om voor een handeling toestemming te geven, mag deze handeling alleen worden verricht met machtiging van zijn of haar vertegenwoordiger of van een bij wet aangewezen autoriteit, persoon of instantie.
Met de mening van de minderjarige wordt als een in toenemende mate bepalende factor rekening gehouden, al naar gelang zijn of haar leeftijd en mate van volwassenheid.
**3.** In de gevallen waarin, volgens de wet, een meerderjarige vanwege een verstandelijke handicap, ziekte of om soortgelijke redenen niet in staat is om toestemming te geven voor een handeling, mag de handeling alleen worden verricht met machtiging van zijn of haar vertegenwoordiger of van een bij wet aangewezen autoriteit, persoon of instantie.
De desbetreffende persoon wordt voor zover mogelijk betrokken bij de machtigingsprocedure.
**4.** Aan de in het tweede en derde lid genoemde vertegenwoordiger, autoriteit, persoon of instantie wordt, onder dezelfde voorwaarden, de in artikel 5 bedoelde informatie verstrekt.
**5.** De in het tweede en derde lid bedoelde machtiging kan in het belang van de betrokkene te allen tijde worden ingetrokken.
HOOFDSTUK II
Artikel 6
Bescherming van personen die niet in staat zijn toestemming te geven
Onderdeel van Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de waardigheid van het menselijk wezen met betrekking tot de toepassing van de biologie en de geneeskunde: Verdrag inzake de rechten van de mens en de biogeneeskunde· Internationaal publiekrecht