Naar hoofdinhoud
(1). Opdat de auteurs van de door deze Conventie beschermde werken van letterkunde en kunst, totdat het tegendeel is bewezen, als zodanig worden beschouwd en zij bijgevolg voor de rechter van de Landen van het Verbond worden toegelaten om vervolgingen wegens inbreuk in te stellen, is het voldoende dat de naam op de gebruikelijke wijze op het werk vermeld staat. Dit lid is van toepassing, zelfs indien deze naam een schuilnaam is, zodra de door de auteur aangenomen schuilnaam geen twijfel laat ten aanzien van zijn identiteit. (2). Voor anonieme werken en voor de niet in het voorgaande lid bedoelde pseudoniemen werken wordt de uitgever wiens naam op het werk is aangegeven, zonder verder bewijs geacht de auteur te vertegenwoordigen; in deze hoedanigheid is hij gerechtigd diens rechten te beschermen en te doen gelden. De bepaling van dit lid houdt op van toepassing te zijn, wanneer de auteur zijn identiteit heeft geopenbaard en zijn hoedanigheid heeft aangetoond.

Rechtspraak bij dit artikel