**(1).** Opdat de auteurs van de door deze Conventie beschermde werken van letterkunde en kunst, totdat het tegendeel is bewezen, als zodanig worden beschouwd en zij bijgevolg voor de rechter van de Landen van het Verbond worden toegelaten om vervolgingen wegens inbreuk in te stellen, is het voldoende dat de naam op de gebruikelijke wijze op het werk vermeld staat. Dit lid is van toepassing, zelfs indien deze naam een schuilnaam is, zodra de door de auteur aangenomen schuilnaam geen twijfel laat ten aanzien van zijn identiteit.
**(2).** Voor anonieme werken en voor de niet in het voorgaande lid bedoelde pseudoniemen werken wordt de uitgever wiens naam op het werk is aangegeven, zonder verder bewijs geacht de auteur te vertegenwoordigen; in deze hoedanigheid is hij gerechtigd diens rechten te beschermen en te doen gelden. De bepaling van dit lid houdt op van toepassing te zijn, wanneer de auteur zijn identiteit heeft geopenbaard en zijn hoedanigheid heeft aangetoond.
Artikel 15
Artikel 15
Onderdeel van Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, ondertekend de 9de September 1886, aangevuld te Parijs de 4de Mei 1896, herzien te Berlijn de 13de November 1908, aangevuld te Bern de 20ste Maart 1914, herzien te Rome de 2de Juni 1928, en herzien te Brussel de 26ste Juni 1948· Intellectuele eigendom
Deze tekst geldt sinds 7 januari 1973