Naar hoofdinhoud

Artikel X

(Regeling van vorderingen van onderdanen)

Onderdeel van Overeenkomst tot economische samenwerking tussen de Regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika· Financieel en economisch recht

Deze tekst geldt sinds 2 juli 1948

1. De Regeringen van Nederland en de Verenigde Staten van Amerika komen overeen om aan de beslissing van het Internationale Hof van Justitie te onderwerpen iedere vordering, waarin ene Regering ten behoeve van een harer onderdanen zich partij stelt tegenover de andere Regering, en die strekt tot vergoeding van schade, voortspruitende uit overheidsmaatregelen (andere dan maatregelen met betrekking tot vijandelijk vermogen of vijandelijke belangen) genomen na 3 April 1948 door de andere Regering, en aantastende het vermogen of een belang van zodanig onderdaan, daaronder begrepen contracten met — of concessies verleend door terzake bevoegde autoriteiten, behorend tot die andere Regering. Overeenstemming bestaat daarover, dat de verbintenis van elk der beide Regeringen met betrekking tot vorderingen, waarin de andere Regering zich in het voorkomende geval op grond van dit lid partij stelt, wordt aangegaan onder het gezag van — en wordt beperkt door de bewoordingen en voorwaarden van zodanige daadwerkelijke erkenning als tot nu toe is verleend aan de verplichte jurisdictie van het Internationale Hof van Justitie ingevolge Artikel 36 van het Statuut van het Hof. De bepalingen van dit lid zullen in geen enkel opzicht inbreuk maken op andere aan elk der beide Regeringen toekomende rechten, indien bestaande, om het Internationale Hof van Justitie te adieren of tot het zich partij stellen in — en het voorbrengen van rechtsvorderingen, die gegrond zijn op vermeende schendingen door een van beide Regeringen, van rechten en verplichtingen, voortspruitend uit verdragen, overeenkomsten, of grondbeginselen van internationaal recht. 2. De Regeringen van Nederland en van de Verenigde Staten van Amerika komen voorts overeen, dat zodanige rechtsvorderingen in plaats van naar het Hof, naar een nader onderling overeen te komen scheidsgerecht kunnen worden verwezen. 3. Voorts bestaat overeenstemming daarover, dat geen van beide Regeringen overeenkomstig dit Artikel zich partij zal stellen in een vordering, voordat haar betrokken onderdaan alle beschikbare rechtsmiddelen heeft aangewend, welke hem in de administratieve en burgerlijke rechtspleging van het land, waarin de rechtsvordering is ontstaan, ter beschikking staan.

Rechtspraak bij dit artikel