Elke Overeenkomstsluitende Partij behoudt zich het recht voor de exploitatievergunning te weigeren of de exploitatievergunning, welke overeenkomstig de bepalingen vervat in deze Overeenkomst aan de door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen ondernemingen werd verleend, te herroepen, indien die ondernemingen, wanneer hun zulks gevraagd wordt, niet het bewijs leveren, dat het overwegende deel van de eigendom en het daadwerkelijk toezicht van die onderneming zelf berusten bij onderdanen van een der Overeenkomstsluitende Partijen, dan wel, in geval die ondernemingen de wetten en voorschriften bedoeld in Artikel V niet in acht nemen of niet voldoen aan de voorwaarden, op grond waarvan de exploitatierechten overeenkomstig de inhoud van deze Overeenkomst zijn verleend.
Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Overeenkomst van 7 juli
2006 zal, wanneer in de bilaterale Overeenkomst, met bijlagen, wordt
verwezen naar onderdanen van het Koninkrijk der Nederlanden, dit
worden begrepen als een verwijzing naar onderdanen van de lidstaten
van de Europese Unie (Trb. 2019/107). Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Overeenkomst van 7 juli
2006 hebben de bepalingen van artikel 2, tweede en derde lid, van de
Overeenkomst van 7 juli 2006 voorrang op de overeenkomstige
bepalingen van artikel 6 van de bilaterale Overeenkomst, met
bijlagen (Trb. 2019/107).
Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Overeenkomst van 7 juli
2006 zal, wanneer in de bilaterale Overeenkomst, met bijlagen, wordt
verwezen naar onderdanen van het Koninkrijk der Nederlanden, dit
worden begrepen als een verwijzing naar onderdanen van de lidstaten
van de Europese Unie (Trb. 2019/107). Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Overeenkomst van 7 juli
2006 hebben de bepalingen van artikel 2, tweede en derde lid, van de
Overeenkomst van 7 juli 2006 voorrang op de overeenkomstige
bepalingen van artikel 6 van de bilaterale Overeenkomst, met
bijlagen (Trb. 2019/107).