Voorrechten en immuniteiten worden aan de vertegenwoordigers der Leden niet toegekend voor het persoonlijk voordeel van deze individuele vertegenwoordigers, doch ten einde de onafhankelijke uitoefening van hun functie in verband met het Comité van Ministers te verzekeren. Derhalve heeft een Lid niet alleen het recht, maar tevens de plicht afstand te doen van de immuniteit van zijn vertegenwoordiger, telkens wanneer naar het oordeel van het Lid de immuniteit de loop der gerechtigheid in de weg zou staan, en van de immuniteit afstand kan worden gedaan, zonder dat inbreuk wordt gemaakt op het doel, waarvoor de immuniteit wordt toegekend.
TITEL IV
Artikel 11
Artikel 11
Onderdeel van Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 10 september 1952