**1.** Ter begrenzing van het gebied, waarbinnen slechts in gemeen overleg werken mogen worden uitgevoerd, als bedoeld in artikel 12 van het verdrag van 12 Mei 1863, zullen in afwijking van de in dat artikel vastgestelde lijnen op 150 el afstand uit de thalweg voor het riviervak, dat zich uitstrekt van km.raai 30 tot km.raai 50, door de Waterstaatsdiensten van beide Staten binnen één jaar na dagtekening dezes door metingen twee lijnen worden vastgesteld op een onderlinge afstand van 300 m, zodanig, dat deze lijnen zich ten minste 20 m uit de holle oevers en ten minste 90 m uit de bolle oevers van het ten tijde der metingen bestaande zomerbed bevinden en overigens een verloop hebben als door beide Waterstaatsdiensten voor de waterafvoer doelmatig wordt geoordeeld in verband met de hoogte der gronden en de aanwezigheid van bebouwingen.
**2.** Met uitbreiding van het bepaalde in artikel 11 van het verdrag van 8 Augustus 1843 zal, wanneer de thalweg te enigertijd een van de in het eerste lid bedoelde lijnen dichter dan 30 m zou naderen, de Staat, aan wie de betrokken oever toebehoort, het gezag tot die afstand van 30 m behouden en daarbinnen de werken mogen uitvoeren, welke hij nodig oordeelt om de thalweg tot die afstand van 30 m te doen terugkeren. Wanneer de thalweg zich tot buiten genoemde lijnen zou verplaatsen en de betrokken oeverstaat niet binnen een tijdsverloop van vier jaren er in zou slagen de thalweg daarbinnen te doen terugkeren, worden deze lijnen binnen zes maanden herzien zodanig, dat de afstand uit de thalweg wederom ten minste 30 m bedraagt.
**3.** Om te voorkomen, dat in het Maasdal ten gevolge van de ontginning waterstaatkundige toestanden ontstaan, welke naar het gemeenschappelijk oordeel van de Waterstaatsdiensten van beide Staten ontoelaatbaar zijn, zullen in gemeen overleg tussen de mijndirecties en de diensten van Toezicht op de Mijnen van beide Staten maatregelen met betrekking tot de ontginning worden vastgesteld en zullen bovengronds de door de Waterstaatsdiensten van beide Staten in gemeen overleg nodig geoordeelde werken binnen de in het eerste lid bedoelde lijnen worden uitgevoerd.
**4.** De kosten van de in het vorig lid bedoelde bovengrondse werken zullen door de beide mijnen gezamenlijk ieder voor de helft worden gedragen. De kosten echter van de in het tweede lid bedoelde werken en de kosten van mijnschadevergoeding aan particuliere eigendommen en van onteigening binnen de in het eerste lid bedoelde lijnen worden door iedere mijn gedragen voor het gebied van de Staat, waarin zij is gelegen.
Artikel 2
Artikel 2
Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, houdende vaststelling van een ontginningsgrens voor de aan beide zijden van de grens langs de Maas gelegen steenkolenmijnen· Agrarisch recht
Deze tekst geldt sinds 11 juli 1952