Ieder der verdragsluitende Regeeringen verbindt zich eene autoriteit in te stellen of aan te wijzen, belast met:
het bijeenbrengen van alle inlichtingen, die de opsporing en de bestrijding kunnen vergemakkelijken van handelingen, welke eene overtreding opleveren van hare landswetgeving betreffende ontuchtige geschriften, teekeningen, afbeeldingen of voorwerpen en waarvan de bestanddeelen een internationaal karakter dragen;
het verschaffen van alle inlichtingen die kunnen dienen om den invoer van uitgaven of voorwerpen als bedoeld in het voorgaande lid, te beletten of de inbeslagname daarvan te verzekeren of te bespoedigen, een en ander binnen de grenzen der landswetgeving;
het mededeelen der wetten die reeds mochten zijn uitgevaardigd of nog mochten worden uitgevaardigd in hare Staten met betrekking tot het onderwerp van deze Regeling.
De Verdragsluitende Regeringen doen door tussenkomst van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties elkander mededeling van de overeenkomstig dit artikel ingestelde of aangewezen autoriteit.
Het verdrag is oorspronkelijk tot stand gekomen op 4 mei 1910. Het verdrag is oorspronkelijk in werking getreden op 8 december 1912, zie Trb. 1951/37.
Artikel 1
Artikel 1
Onderdeel van Regeling tot beteugeling van de verspreiding van ontuchtige uitgaven, ondertekend te Parijs, 4 mei 1910, zoals gewijzigd door het Protocol, ondertekend te Lake Success, New York, 4 mei 1949· Strafrecht
Deze tekst geldt sinds 26 september 1950