Naar hoofdinhoud

TITEL II

Artikel 14

Veiligheid van de luchtvaart

Onderdeel van Overeenkomst inzake een gemeenschappelijke luchtvaartruimte tussen de Europese Unie en haar lidstaten en de Republiek Moldavië· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 2 augustus 2020

1. Onverminderd de overgangsbepalingen in bijlage II bij deze Overeenkomst handelen de partijen overeenkomstig de bepalingen van de in bijlage III, deel C, gespecificeerde wetgeving inzake luchtvaartveiligheid, volgens de hierna uiteengezette voorwaarden. 2. De partijen werken samen om te garanderen dat de Republiek Moldavië de in lid 1 van dit artikel bedoelde wetgeving toepast. Daartoe wordt de Republiek Moldavië vanaf de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst als waarnemer betrokken bij de werkzaamheden van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart. De geleidelijke toepassing van de volledige, in bijlage III, deel C, van deze Overeenkomst vermelde wetgeving door de Republiek Moldavië zal aan beoordelingen worden onderworpen. De beoordelingen worden uitgevoerd door de Europese Unie, in samenwerking met de Republiek Moldavië. Als de Republiek Moldavië van oordeel is dat de in bijlage III, deel C, van deze Overeenkomst vermelde wetgeving volledig wordt toegepast, deelt zij de Europese Unie mee dat een beoordeling moet worden uitgevoerd. Als de Republiek Moldavië de in bijlage III, deel C, van deze Overeenkomst vermelde wetgeving volledig ten uitvoer heeft gelegd, bepaalt het bij artikel 22 (Gemengd Comité) van deze Overeenkomst opgerichte Gemengd Comité de precieze status en voorwaarden waaraan de Republiek Moldavië moet voldoen om met een hogere status dan die van waarnemer te mogen deelnemen aan de werkzaamheden van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart. 3. De partijen zien erop toe dat in de ene partij geregistreerde luchtvaartuigen die worden verdacht van niet-naleving van de bij het Verdrag vastgestelde internationale veiligheidsnormen bij landing op luchthavens op het grondgebied van de andere partij die openstaan voor internationaal luchtverkeer, door de bevoegde autoriteiten van die andere partij worden onderworpen aan platforminspecties, zowel aan boord als rond het luchtvaartuig, teneinde de geldigheid van de documenten van het luchtvaartuig en van de bemanning en de kennelijke staat van het luchtvaartuig en de apparatuur te controleren. 4. De bevoegde autoriteiten van een partij kunnen op elk ogenblik om overleg verzoeken over de door de andere partij gehanteerde veiligheidsnormen. 5. De bevoegde autoriteiten van een partij nemen onmiddellijk alle passende maatregelen als zij vaststellen dat een luchtvaartuig, product of activiteit: niet voldoet aan de minimumnormen die zijn vastgesteld overeenkomstig het Verdrag of, indien van toepassing, de in bijlage III, deel C, van deze Overeenkomst gespecificeerde wetgeving; na een in lid 3 van dit artikel bedoelde inspectie aanleiding geeft tot ernstige vermoedens dat een luchtvaartuig of de exploitatie ervan niet voldoet aan de overeenkomstig het Verdrag of de in bijlage III, deel C, van deze Overeenkomst gespecificeerde wetgeving vastgestelde minimumnormen; of aanleiding geeft tot ernstige vermoedens dat de overeenkomstig het Verdrag of de in bijlage III, deel C, van deze Overeenkomst gespecificeerde wetgeving vastgestelde minimumnormen niet daadwerkelijk worden toegepast en gehandhaafd. 6. Wanneer de bevoegde autoriteiten van de ene partij maatregelen nemen overeenkomstig lid 5 van dit artikel stellen zij de bevoegde autoriteiten van de andere partij daar onmiddellijk van in kennis, met opgave van de redenen voor die maatregelen. 7. Wanneer uit hoofde van lid 5 van dit artikel genomen maatregelen niet worden stopgezet, ook al zijn er geen redenen meer om dergelijke maatregelen te handhaven, kan elke partij de zaak doorverwijzen naar het Gemengd Comité.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel