Iedere partij kan, ook na het verstrijken van de in artikel III-365, lid 6, bedoelde termijn, naar aanleiding van een geschil waarbij een door een instelling, een orgaan of een instantie van de Unie vastgestelde handeling van algemene strekking in het geding is, de in artikel III-365, lid 2, bedoelde middelen aanvoeren om voor het Hof van Justitie van de Europese Unie de niet-toepasselijkheid van deze handeling in te roepen.
DEEL III › TITEL VI › HOOFDSTUK I › AFDELING I › Onderafdeling 5
Artikel III-378
Artikel III-378
Onderdeel van Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa· Financieel en economisch recht