**1.** De inspecteurs van de arbeid dienen bevoegd te zijn maatregelen te nemen om gebreken, geconstateerd in een installatie, een inrichting of bij de arbeidsmethoden in landbouwbedrijven, met inbegrip van het gebruik van gevaarlijke stoffen, te verhelpen, ten aanzien waarvan zij een redelijke grond hebben om te veronderstellen, dat die een bedreiging voor de gezondheid of de veiligheid van de werknemers vormen.
**2.** Ten einde het de inspecteurs mogelijk te maken om die maatregelen te nemen, hebben zij, behoudens het recht van beroep op een gerecht of een administratieve autoriteit, voorzien bij de nationale wetgeving, het recht te gelasten of te doen gelasten:
dat binnen een vastgestelde termijn aan de installaties, de werkruimten, de gereedschappen, de uitrusting of de machines de veranderingen aangebracht worden die noodzakelijk zijn om de strikte toepassing van de wettelijke bepalingen betreffende de gezondheid en de veiligheid te verzekeren;
dat in gevallen van dreigend gevaar voor de gezondheid en de veiligheid onmiddellijk van kracht wordende maatregelen worden genomen, die zelfs het stopzetten van het werk kunnen inhouden.
**3.** Indien de procedure voorgeschreven in het tweede lid niet overeenkomt met de administratieve en gerechtelijke praktijk van het Lid, hebben de inspecteurs het recht zich tot de bevoegde autoriteit te wenden, opdat deze bevelen ter zake geeft of onmiddellijk van kracht wordende maatregelen neemt.
**4.** De gebreken, die door de inspecteur tijdens zijn bezoek aan een onderneming zijn geconstateerd, en de te nemen maatregelen waartoe opdracht is gegeven krachtens het tweede lid van dit artikel of die krachtens het derde lid van dit artikel aan de bevoegde autoriteit worden voorgesteld, dienen onmiddellijk aan de werkgever en de vertegenwoordigers van de werknemers te worden bekendgemaakt.
Artikel 18
Artikel 18
Onderdeel van Verdrag betreffende de arbeidsinspectie in de landbouw· Agrarisch recht
Deze tekst geldt sinds 29 juni 1974