Naar hoofdinhoud

Artikel 13

Erkenning van bewijzen en vergunningen

Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Panama inzake luchtdiensten tussen en via hun respectieve grondgebieden· Arbitrage

Deze tekst geldt sinds 1 juli 1997

Bewijzen van luchtwaardigheid, bewijzen van bevoegdheid en vergunningen die door een van de Verdragsluitende Partijen zijn uitgereikt of geldig verklaard en die nog niet zijn verlopen, worden door de andere Verdragsluitende Partij als geldig erkend voor de exploitatie van de overeengekomen diensten op de omschreven routes, mits deze bewijzen en vergunningen werden uitgereikt of geldig verklaard overeenkomstig de op grond van het Verdrag van Chicago vastgestelde normen. Elke Verdragsluitende Partij behoudt zich evenwel het recht voor om voor vluchten boven haar grondgebied de erkenning te weigeren van bewijzen van bevoegdheid en vergunningen die aan haar eigen onderdanen zijn verstrekt door de andere Verdragsluitende Partij. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Panama inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 1 oktober 2007 (Pb. EU L 106 van 16 april 2008, blz. 7-13) wordt vanaf 3 maart 2009, wanneer in de tekst van het Verdrag wordt verwezen naar onderdanen van het Koninkrijk der Nederlanden, dit begrepen als een verwijzing naar onderdanen van de lidstaten van de Europese Gemeenschap (Trb. 2012/155). Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Panama inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 1 oktober 2007 (Pb. EU L 106 van 16 april 2008, blz. 7-13) wordt vanaf 3 maart 2009, wanneer in de tekst van het Verdrag wordt verwezen naar onderdanen van het Koninkrijk der Nederlanden, dit begrepen als een verwijzing naar onderdanen van de lidstaten van de Europese Gemeenschap (Trb. 2012/155).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel