Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Intrekking of opschorting van vergunningen

Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Panama inzake luchtdiensten tussen en via hun respectieve grondgebieden· Arbitrage

Deze tekst geldt sinds 1 juli 1997

1. De Verdragsluitende Partijen hebben het recht de in artikel 4 vermelde vergunningen voor een door de andere Verdragsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij niet te verlenen, deze in te trekken of op te schorten, of hieraan voorwaarden te verbinden: indien een zodanige luchtvaartmaatschappij nalaat ten genoegen van de luchtvaartautoriteiten van die Verdragsluitende Partij aan te tonen dat zij voldoet aan de door die autoriteiten gewoonlijk en redelijkerwijze in overeenstemming met het Verdrag van Chicago toegepaste wetten en voorschriften; indien een zodanige luchtvaartmaatschappij nalaat de wetten en voorschriften van die Verdragsluitende Partij na te leven; ingeval niet te hunnen genoegen is aangetoond dat een aanmerkelijk deel van de eigendom van, en het daadwerkelijk toezicht op de luchtvaartmaatschappij berusten bij de Verdragsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen en/of bij haar onderdanen; indien de luchtvaartmaatschappij anderszins nalaat de exploitatie te voeren in overeenstemming met de ingevolge dit Verdrag gestelde voorwaarden. 2. Tenzij onmiddellijk ingrijpen van wezenlijk belang is ter voorkoming van verdere inbreuken op de hierboven bedoelde wetten en voorschriften, worden de in het eerste lid van dit artikel opgesomde rechten slechts uitgeoefend na overleg met de luchtvaartautoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij. Tenzij anders door Verdragsluitende Partijen is overeengekomen, vangt zulk overleg aan binnen een termijn van zestig (60) dagen na de datum van ontvangst van het verzoek ter zake. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Panama inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 1 oktober 2007 (Pb. EU L 106 van 16 april 2008, blz. 7-13) wordt vanaf 3 maart 2009, wanneer in de tekst van het Verdrag wordt verwezen naar onderdanen van het Koninkrijk der Nederlanden, dit begrepen als een verwijzing naar onderdanen van de lidstaten van de Europese Gemeenschap (Trb. 2012/155). De bepalingen van artikel 2, tweede tot en met vijfde lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Panama inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 1 oktober 2007 (Pb. EU L 106 van 16 april 2008, blz. 7-13) hebben vanaf 3 maart 2009 voorrang op de overeenkomstige bepalingen van dit artikel (Trb. 2012/155). Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Panama inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 1 oktober 2007 (Pb. EU L 106 van 16 april 2008, blz. 7-13) wordt vanaf 3 maart 2009, wanneer in de tekst van het Verdrag wordt verwezen naar onderdanen van het Koninkrijk der Nederlanden, dit begrepen als een verwijzing naar onderdanen van de lidstaten van de Europese Gemeenschap (Trb. 2012/155). De bepalingen van artikel 2, tweede tot en met vijfde lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Panama inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 1 oktober 2007 (Pb. EU L 106 van 16 april 2008, blz. 7-13) hebben vanaf 3 maart 2009 voorrang op de overeenkomstige bepalingen van dit artikel (Trb. 2012/155).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel