**1.** De schepen en vaartuigen, welke de vlag van een der verdragsluitende Partijen voeren, alsmede hunne ladingen, zullen in de wateren van de andere Partijen in alle opzichten dezelfde behandeling genieten als de nationale vaartuigen en hunne ladingen, welke ook de plaats van vertrek of bestemming dier schepen en vaartuigen, en welke ook de plaats van herkomst of bestemming der ladingen zij. Hieruit volgt inzonderheid, dat de schepen en vaartuigen van de eene Partijen en hunne ladingen op het gebied van de andere aan geen andere of hoogere belastingen of lasten, van welke soort of benaming ook, geheven of te heffen, hetzij ten bate van den Staat, hetzij van de provincies, de gemeenten of eenigerlei, door de Regeering tot de heffing gemachtigde, instelling, onderworpen zullen zijn, dan die, welke van toepassing zullen zijn op de nationale vaartuigen en hunne ladingen.
**2.** Voor wat betreft de plaatsing van schepen en vaartuigen, het laden en lossen daarvan in de havens, op de reeden en in de dokken, en in het algemeen ten aanzien van alle formaliteiten en bepalingen, welke ook, waaraan koopvaardijschepen, hunne bemanningen of hunne ladingen kunnen zijn onderworpen, wordt overeengekomen, dat aan de nationale vaartuigen geen enkel voorrecht noch gunst zal worden verleend, welke niet gelijkelijk zal worden verleend aan de vaartuigen van den anderen Staat, daar het de wil der Partijen is, dat ook te dezen aanzien hare schepen zullen worden behandeld op den voet van volmaakte gelijkheid.
**3.** Elk voorrecht en iedere vrijstelling, die een der Partijen ten aanzien van een der bovenbedoelde zaken mocht verleenen aan een derde Mogendheid, zal tegelijkertijd en zonder voorbehoud worden toegestaan aan de andere Partij. Nochtans worden van het bepaalde in het onderhavige artikel uitgezonderd de gunsten, die in het eene of het andere der beide landen zijn of in de toekomst mochten worden toegestaan aan de nationale visscherij.
**4.** Voor wat betreft de vaart op de natuurlijke en kunstmatige binnenlandsche waterwegen, ten aanzien waarvan de schepen en vaartuigen der Partijen en hunne ladingen zullen zijn onderworpen aan dezelfde voorwaarden als de schepen en vaartuigen van de meestbegunstigde natie en derzelver ladingen, zullen de van die schepen en vaartuigen en hunne ladingen te heffen rechten nochtans de heffing, welke op de nationale vaartuigen en hunne ladingen van toepassing is, niet mogen overtreffen.
**5.** Onverminderd de andere bepalingen van het onderhavige artikel en zonder dat daardoor wijziging wordt gebracht in de bepalingen van al. 1, voor zoover deze de loodstarieven betreffen, wordt overeengekomen, dat de wetten en reglementen, in ieder land van kracht op de verplichting tot het gebruik van loodsen op de schepen en vaartuigen van de andere Partij in dezelfde mate van toepassing zullen zijn als op de nationale schepen en vaartuigen.
Artikel XII
Artikel XII
Onderdeel van Verdrag van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Polen· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 5 juni 1925