Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Argentijnse Republiek tot wederzijdse uitlevering van misdadigers· Strafrecht

Deze tekst geldt sinds 20 februari 1898

De uitlevering zal geen plaats hebben: indien de opgeeischte persoon door geboorte of door naturalisatie onderdaan is van het land, waaraan de uitlevering is aangevraagd; voor staatkundige misdrijven of feiten met staatkundige misdrijven samenhangende; ingeval de feiten zouden gepleegd zijn op het grondgebied van het land, waaraan de uitlevering is aangevraagd; wanneer de aanvrage tot uitlevering geschiedt op grond van hetzelfde feit, waarvoor de opgeëischte persoon heeft terechtgestaan en is veroordeeld of vrijgesproken in het land, waaraan de uitlevering wordt aangevraagd; indien de opgelegde straf of de vervolging naar de wetten van het land, waaraan de uitlevering wordt aangevraagd of van het land, dat de uitlevering aanvraagt, verjaard is vóór de aanhouding van den opgeëischten persoon, of, ingeval de aanhouding nog niet heeft plaats gehad, vóór de gerechtelijke dagvaarding.

Rechtspraak bij dit artikel